Extra geld om schooluitval tegen te gaan

Ik heb wel eens gemopperd op de reductieberekening van VSV, maar vandaag kwam er op zich weer goed nieuws: voor elke student minder die voortijdig de school verlaat wordt nu geen €2.000 euro gegeven, maar €2.500!

Het geld is bedoeld om ervoor te zorgen dat scholen de komende jaren blijven investeren in het voorkomen van uitval en om hun financiële risico te verkleinen.

Tegelijk met het bericht komen de voorlopige cijfers van het tweede convenantjaar (2008 – 2009) ter beschikking. Met daarin een aardige bellenplaat per regio (klik voor volledige grootte):

  • De groote van de cirkel geef het aantal vsv’ers weer; dus hoe groter de cirkel, hoe groter de groep nieuwe vsv’ers.
  • De horizontale positie van elke cirkel geeft de procentuele ontwikkeling weer van het aantal nieuwe vsv’ers in het schooljaar 2008-2009 t.o.v het schooljaar 2005-2006.
  • De verticale positie van elke cirkel geeft het vsv-percentage weer. Het middelpunt van de grafek ligt bij het gemiddelde van de regio’s.

Verder zijn de eigen regio, gemeente en MBO instelling op te zoeken, de bellenplaat van de MBO instellingen kan redelijk confronterend zijn en is terug te vinden op blz. 12. Daarna toont het een analyse van de cijfers met dwarsdoorsnedes naar leeftijd, etniciteit, misdrijfverdachten, werkeloosheid.

Al met al, toch fijn dat er (meer) geld in gestoken wordt.

Zoek de koning

Content-is-king wordt er vaak geroepen om te benadrukken dat (digitaal) materiaal een grote rol speelt. Dat geldt voor onderwijs ook. Het concrete lesmateriaal, de opdracht, de uitleg, de methode, het boek, de oefening, al dan niet digitaal, is toch een ruggengraat voor veel docenten.

Mijn vraag is nu: waar is dit terug te vinden in de encyclopedie van TripleA? Ik val vaak terug op de encyclopedie om iets te duiden of overzichtelijker te maken. Super handig hulpmiddel. Maar bij de ontsluiting van digitaal lesmateriaal lukt me dat even niet. Ik heb niet elke letter gespeld van alle 11 delen. Maar ik ken het toch redelijk goed, vind ik zelf.

Het hoort NIET thuis in de onderwijscatalogus (blz. 6):
Om op basis van een individuele leervraag een goed onderwijsaanbod te kunnen samenstellen en te realiseren zijn de volgende 4 componenten van belang:

  1. Identifcatie van alle beschikbare onderwijsproducten (in en via de onderwijsinstelling)
  2. De beschikbaarheid van alle relevante taxonomieën (kwalifcatiestructuren)
  3. De daadwerkelijke onderwijsinhoud (de content van een les, een periode, een project etc.)
  4. De beschikbaarheid van referentiearrangementen die als voorbeeld dienen voor de totstandkoming van het aanbod (arrangement) van de instelling aan de individuele deelnemer.

De componenten 1 en 2 vormen de onderwijscatalogus.
Gaat de catalogus dus over de inhoud? Ja, OVER de inhoud, het bevat niet DE inhoud.

Het zit NIET in deel 9 “Primair Proces Ondersteuning“: Dat gaat vooral over de ONDERSTEUNING van het primaire proces. Met onderwerpen als leertrajectbegeleiding, opleiden en vormen en examineren.

Het zit NIET in deel 8 en dan het gedeelte “Beheren middelen“. Het zou daar mijns inziens wel in kunnen thuishoren. Als content een middel is, dat je net zo behandelt en beheert als de meer ‘facilitaire’ dingen zoals ruimtes, materiaal en personeel. Zou het daar niet in zitten omdat het moeilijk te beheren valt? De beheersmatige zaken die er nu onder vallen, kun je als instelling zelf regelen. Met lesmateriaal is dat anders: je bent afhankelijk van uitgeverijen, brancheorganisaties en docenten die zelf materiaal ontwikkelen. Ik weet echter niet of dit een rol heeft gespeeld bij de keus om het helemaal niet op te nemen.

Echter, als TripleA een compleet applicatielandschap onder architectuur aanbiedt, dan zou digitaal lesmateriaal ergens toch een plek moeten krijgen? Waar denk ik aan:

  • De repository zelf, als in de betekenis van een grote bak met vindbaar lesmateriaal. De metadata is al ontworpen middels de catalogus. Waar een repository aan kan voldoen is ook al bekend.
  • De ontsluiting van de repository: Er zou tegen verschillende repositories “aangepraat” moeten kunnen worden. Contentsystemen van uitgeverijen zoals die via EduRoute/EduPoort, van Dijk’s educatie, maar ook die van WikiWijs. Is er tussenhaakjes al een API die een ELO tegen WikiWijs laat praten? Zodat een student niet naar een andere portal moet?
  • Kan de ‘overige’ kernfunctionaliteit van een ELO ook niet onder de TripleA architectuur verder ontwikkelt worden? Opdrachten uitzetten, inleveren, beoordelen etc. Ik noem express KERNfunctionaliteit. Veel toepassingen binnen een ELO zijn portalachtig en gericht op communicatie of logistiek. Deze vinden binnen TripleA al elders plaats.

Van onderwijslogistiek naar onderwijsbeleid

Paul Oomens van Ministerie OCW sluit het Congres Onderwijslogistiek en CGO af. Paul refereert even aan de actualiteit i.v.m. de klachten die door studenten geuit worden. Hij stelt dat er wel degelijk iets aan de hand is! Zonder elke klacht op het bureau van de staatssecretaris te gooien, wat is dan de rol van het ministerie? Soms zegt de kamer: “U zult flexibel zijn, u zult maatwerk leveren.” Maar hoever reikt de polsstok van het MBO? Of verzwaren we het MBO dusdanig met van alles en nog wat, zodat er niet meer mee te zeilen valt. (Illustratie hiernaast kwam van Paul 😉 )

Deze vragen roept Paul op, als aanloopje naar de noodzaak van een verband tussen onderwijsbeleid en logistiek. Er komen enkele tips voorbij:

Kijk uit met heel hard werken aan oplossingen voor problemen, die door een andere oplossing zijn ontstaan….

Als voorbeeld wordt de roostergenerator genoemd, uit mijn vorige blogpost.

Zoek elkaar op en al helemaal in tijden van schaarste…

Bijvoorbeeld door gemeenschappelijke SSC vorming, door samen te werken aan functionele ontwerpen.

Denk verder èn heb ook het hier en nu op orde…

Haal niet je schouders op als er slechts 64 zwakke opleidingen zijn, terwijl er nog veel meer niet op orde is. Communiceer met je studenten.

Hoe helpt Ministerie OCW? Door VSV regelingen, gegevensuitwisseling door DUO, domeinvorming binnen MBO.

Vraag aan de zaal: is domeinvorming iets van het onderwijs of iets van de administratieve organisatie? Leidde tot redelijke discussie. Waarbij ik vermoed dat Paul bedoelt dat reductie van administratieve lasten niet het enige motief moet zijn om aan domeinvorming te beginnen.

Overigens gebruikte Paul veel Dilbert filmpjes om zijn punten op een ‘onderkoelde’ manier te illustreren. Pakte goed uit 😉

Op weg naar de realisatie van de onderwijslogistieke principes van Triple A

Ik heb in het verleden al vaker geschreven over Triple A en onderwijslogistiek. Vandaag een update op de stand van zaken. Willem-Jan van Rooijen en Frans Thijssen praten ons bij.

In de encyclopedie is een deel uitgewerkt voor onderwijslogistiek. Het is nu tijd voor een verdere concretisering, door een brede betrokkenheid te zoeken en samen te werken met saMBO~ICT. Het resultaat moet zijn: een functioneel ontwerp van ondersteunende systemen en organisatorische eisen. De einddatum voor dit alles is 15-06-2010.

Om te illustreren hoe generiek de modellen van TripleA zijn, vertelden ze hoe 3 ROC’s met een verschillende insteek toch tot hetzelfde logistieke model kwamen. Elk ROC kende zijn eigen metafoor:

  • Het Innovatiecafé: de student kiest de volgorde van het lesprogramma.
  • Selfmade: legt de nadruk op het leren maken van individuele keuzes.
  • Ballenbak: competenties staan centraal.

Hieruit werd een rode draad gedestilleerd:

  • De leervraag komt centraler te staan.
  • Er is behoefte aan meer flexibel onderwijs.
  • Mensen en middelen moeten breed inzetbaar zijn.
  • Integratie van systemen moet!

In het verleden werd een geavanceerde, wiskundige, ‘roostermachine’ genoemd, daarom vroeg ik hiernaar. Het blijkt dat er onderzoek gedaan is, met als positief resultaat dat het mogelijk is om zo’n machine te bouwen. Die kan, wat men beoogt in bovenstaande model, in principe leveren. Het onderzoek wordt binnenkort afgerond en beschikbaar gesteld.

Onderwijscatalogus als basis voor onderwijslogistiek

Ellen Stuurop en Hans Hurenkamp vertelden hoe het Drenthe College hun onderwijsaanbod beheert met Educator.  Jef heeft er ook al eens over geschreven. Hun term is “DOE” oftewel “Didactische variant van een Onderwijs Eenheid”.

Als een DOE gemaakt wordt kan die, na goedkeuring, doorgezet worden naar de catalogus. Vanuit de student gezien (en vaak ook vanuit de docent) komen deze terug in zijn PAP (Persoonlijk Activiteiten Plan). Uiteindelijk kan dit leiden tot een individueel activiteitenplan. Zover zijn ze echter nog niet. Als een student een bewijsstuk wil aanleveren om aan te tonen dat hij aan de eisen voldoet, levert hij deze ook in, via het systeem.

Hans opent met te benadrukken dat je concreet aan de slag moet, alvorens te ontdekken wat je wilt en waarheen je wilt ontwikkelen. Een beetje “organisch”, waarbij een blauwdruk achteraf ontstaat en niet altijd goed is aan de voorkant. Soms moet je door ervaring wijzer ‘terugsaneren’. Klinkt als een lerende organisatie!

Waar Hans dus indirect op wijst is een manier van implementeren. Mijn omschrijving: niet alles tot op detail van te voren bepalen, om dan vervolgens je doelen tocht niet te halen. Maar juist door aan de slag te gaan, ontdekken wat je nodig hebt.

Zijn deel van de presentatie is hier te zien:

Wat is er nodig om onderwijslogistiek goed in te regelen: lessen uit het HBO

De tweede lezing tijdens de opening van het Congres Onderwijslogistiek en CGO werd gegeven door Peter van ‘t Riet (Lector ICT en Onderwijsinnovatie).

Peter vertelt eerst wat het lectoraat is. Overigens besef ik nu pas dat het goed is om een lectoraat hierover te hebben! Wellicht iets meer bekendheid ermee binnen MBO zou niet verkeerd zijn? Peter vertrekt vanuit de historie van HBO, die veel overeenkomst vertoont met MBO. Fusies, concentratie, terugtredende overheid, informatisering, de buitenwereld die de school inkomt, emancipatie van het individu, aandacht voor innovatie, meer open bedrijfscultuur.

Waar het hier om gaat: er is onderzoek gedaan naar planning en roostering. De complexiteit hiervan wordt geïllustreerd door het begrippenkader: periodenplanning, onderwijsplanning, tentamenplanning, studentenplanning, financiële planning, ruimteplanning, stageplanning etc.! Het eigenlijke rooster rolt er pas uit als alle andere planningen eerst gelopen zijn! Al deze processen kunnen zich voordoen op alle niveau’s in de organisatie.

Conclusies uit het onderzoek van Peter: Het management stuurt onvoldoende op integrale procesketen van planning en roostering, onvoldoende op de personele kwaliteiten en roostergedrag van docenten. De procesinrichting is rommelig. De plaatjes die Peter laat zien, lijken op een verfspatarchitectuuri.p.v. Mondriaan. Een kleine greep uit het onderzoeksrapport:

“De situatie m.b.t. de informatiehuishouding van de hogescholen rond planning en roostering is ronduit zorgelijk. De efficiency en effectiviteit van centrale informatiesystemen zoals het onderwijsinformatiesysteem en het roosterpakket worden sterk verminderd door de autonomie die onderwijsafdelingen hebben bij het inrichten van hun eigen procesorganisatie. De eilandcultuur waarin onderwijsprogramma?s per opleiding ontwikkeld  en beheerd worden zonder elementaire vormen van standaardisatie is bij alle hogescholen nog in sterke mate aanwezig.”

Tip van Peter, volg de volgende stappen:

  • Maak een architectuurplaat van de bestaande situatie.
  • Maak daarna een referentiearchitectuur van waar je op uit wilt komen.
  • Maak een migratieplan!

Mijn indruk: de overeenkomsten tussen HBO en MBO zijn groot, op het gebied van onderwijslogistiek. Dat maakt het onderzoek, alhoewel onder HBO instellingen, ook nuttig voor MBO. Het rapport is hier te vinden.

CGO; de samenhang der dingen

Ik ben vandaag bij ROC van Amsterdam bij de conferentie “Onderwijslogistiek en CGO“. De opening werd gedaan door Jan-Pieter Janssen van AOC Citaverde College.

Jan-Pieter schetst openhartig zijn organisatie waarin een grote geografische spreiding een rol speelt en vervolgens het ‘onderwijsproductieproces’. Men onderzoek gedaan naar standaardisering. Het proces ging ongeveer alsvolgt:

  • De samenhang der dingen: Door een lijst te maken van applicaties en bijbehorende functionaliteiten werd gepoogd een ‘landschap’ te tekenen dat het verband aantoonde tussen de onderdelen. Al mindmappend werden zo alle onderwijsactiviteiten in verband gebracht met applicaties. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een keuzeproces waarin Fronter aangeschaft werd.
  • De transparantie der dingen: Met behulp van een portal wordt alles ontsloten.
  • De gelaagdheid der dingen: Vanuit een basisscherm kan op onderdelen steeds meer functionaliteit ter beschikking komen. Dit kan geleidelijk.
  • De onzekerheid der dingen: alles blijft veranderen, de menselijke factor speelt een rol (soms wordt iets voor een kwart gebruikt en stopt het weer), de technische match is uitdagend.

Projectevaluatie Incident op School

Onze instelling doet mee aan een pilot voor het registreren van incidenten. Dat kan van alles zijn, maar de nadruk ligt op veiligheid. Voorbeelden zijn: verbaal geweld, fysiek geweld, vandalisme, grove persterij, discriminatie, etc. Zelf registreren we al langer dan dit project, maar we hebben onze ervaringen nu wel weer op een rij. Even wat achtergrond informatie:

Het project wordt getrokken door MinOCW. Het systeem waarin geregistreerd wordt, is geleverd door DSP-Groep en gebouwd door Topicus (in TripleA land geen onbekende). Om eenduidigheid te krijgen is er eerst onderzoek gedaan naar definities en categorieën. Dit is uitgevoerd door ITS, onderdeel van de radboud Universiteit Nijmegen.

Het doel van het project is ervaren hoe bruikbaar de definities zijn en welke manieren van registratie het meest effectief zijn. Naar alle waarschijnlijkheid zal incidentenregistratie verplicht worden gesteld. Het grotere lange termijn doel is meer inzicht krijgen in welke mate scholen veilig zijn, een beeld hierover te vormen van het onderwijs in brede zin en op termijn te gaan benchmarken. Voor scholen zelf kan de registratie leiden tot rapporteringen, om zo te sturen op veiligheid en handreikingen te doen om concrete maatregelen te nemen.

Mens en organisatie blijft de grootste uitdaging voor onze instelling:
– Bewustzijn binnen de teams en bekendheid met het onderwerp vergt voortdurende aandacht.
– De registratie zelf wordt vaak ervaren als ‘extra werk erbij’.
– Het voordeel van het systeem is niet altijd direct voelbaar, daarom is mensen ‘verleiden’ tot het gebruik ervan moeilijk.
– Vraag blijft ook hoe zich deze registratie verhoudt met die van ongevallen en meldingen naar arbeidsinspectie?
Mijn eigen kijk: Als de incidentenregistratie organisatorisch niet ‘gehangen’ zou worden aan Arbo, zoals nu vanwege het perspectief veiligheid, maar een logisch gevolg zou zijn van het pedagogisch handelen, dan zouden de meldingen ook uit een LVS kunnen ‘rollen’. De samenhang met de begeleiding, signalering en nazorg van incidenten is dan beter te borgen.

Technisch:
– Het systeem zoals dat in de pilot gebruikt is, is laagdrempelig om te gebruiken. Een incident neemt één scherm in beslag, waarop alles ingevuld kan worden.
– Autorisatie naar teams of afdelingen is mogelijk. Hierdoor kunnen rollen toegekend worden waarbij iemand registreert en anderen weer inzage hebben voor een hele school. Ook is er een analyse rol, waarbij statistieken getoond worden. Dit laat bijvoorbeel allerlei percentages zien van incidentsoorten door de tijd heen.
Mijn eigen kijk: Willen we de rapportage onderdeel maken van onze overige informatievoorziening, dan moet alle data makkelijk er uit te exporteren zijn. Dit is nu al mogelijk door velden te kiezen, een tabel te maken en op te slaan naar excel of SPSS. Echter niet alles komt dan mee. Of althans dusdanig dat we het zo kunnen importeren naar interne monitoringsystemen. Maar er moet iets overblijven om te wensen toch?
Om meldingen uit een LVS of begeleidingsysteem te laten ‘rollen’ zou een integratie nodig zijn met de kernregistratie deelnemers of een begeleidingsmodule. Toekomstplannen hiervoor zijn geschetst tijdens de Markt van Leveranciers op 17 November 2009 in Utrecht.

Even de redenatie doortrekkend: een LVS is qua concept vaak logboek waarin signalen, handelingsafspraken en contactmomenten worden vastgelegd. Als de informatie die aan een logboekitem kan hangen, ook wordt vormgegeven volgens de bovenstaande definities, dan zou een LVS de incidenten aandragen bij het registratiesysteem. Een beetje zoals de plannen zijn omtrent het doen van verzuimmeldingen bij de IB-groep: eerst op een aparte portal, maar later geïntegreerd vanuit je begeleidingsysteem.

Al met al een leerzaam project. Afwachten blijft nog even hoe het verplichtende karakter vanuit MinOCW er uit gaat zien.

4 perspectieven voor strategisch assortimentsbeleid

Ik heb in het verleden n.a.v. de Long Tail in het onderwijs en je productportfolio geblogd over ‘Strategisch Assortimentsbeleid‘. Onze instelling is nu in de oriëntatie hierop wat verder gekomen. Voorlopig kiezen we voor 4 perspectieven:

  • Rendement: Hoeveel levert een opleiding op? Dit kan uitgedrukt worden in aantallen diploma’s. Methodieken hiervoor zijn een “harde diploma-teller”, rapportages als “Aanval op de Uitval” en VK2 (Vragenlijst Kengetallen) lijsten van inspectie.
  • Betaalbaarheid: Hoeveel kost een opleiding? Deze blijft een uitdaging. Methodiek vooralsnog is Activity-Based-Costing met de Onderwijscalculator.
  • Arbeidsmarktrelevantie: Hoe goed kun je een baan vinden met een opleiding? Dit kan uitgedrukt worden met zogenaamde ‘krapte-indicatoren‘ van UWV en rapportages van Colo en ROA.
  • Omvang: Hoe groot is een opleiding? Is het aantal ‘afnemers’ groeiend of dalend? Dit kan uitgedrukt worden in deelnemers naar leerweg, niveau etc.

Al met al een hele zoektocht, want per opleiding of afdeling willen we hier iets zinvols over kunnen zeggen. Wel leuk om te doen! Daarnaast tricky in gedrag: verantwoord kijken naar de levensvatbaarheid van opleidingen vergt soms voorzichtigheid.