De strijd om de identiteiten

Vandaag was ik bij de Netwerkbijeenkomst MBO Informatiemanagers.¬†Jan Bartling doet deel 2. Deel 1 is hier te vinden. Hij opent met 5 problemen … en nou niet opperen dat ’t uitdagingen zijn ja. ūüėČ

  • De sleutelbos: je bent bekend in verschillende domeinen: school, sociaal, werk, overheid, etc. Moet dat allemaal ontsloten worden met √©√©n sleutel?
  • Natuurlijke personen: systemen gaan er vanuit dat je een natuurlijk persoon bent. Wellicht heb je een rol, maar het is niet de rol die inlogt. Zodat je ‘namens’ een bedrijf of organisatie iets uitvoert zonder dat het uitmaakt wie dat was. Voor de ontvanger van de dienst althans.
  • Sterke authenticatie: gebruiken we dat bij alle processen, wanneer hoge of lage ‘mate van vertrouwen’? Wat worden de kosten als we ‘per tik’ gaan afrekenen?
  • Meenemen tussen organisaties: een leerling die verandert van opleiding A bij school X naar opleiding B bij school Y. Wat gaat er mee? Of juist niet en het ‘recht om vergeten te worden’?
  • Internationaal: Hoe kunnen we omgaan met buitenlandse studenten, vluchtelingen, BPV in het buitenland en docent uitwisseling?

Vervolgens hebben we in groepen gekeken wat we op deze terreinen al doen, de knelpunten die we zien en wat er aan gedaan zou moeten worden.

 

 

IAA: Strijd om de identiteit

Vandaag was ik bij de Netwerkbijeenkomst MBO Informatiemanagers. Het thema is “Identiteiten en IAA”. Om even op gang te komen de definities:

  • Identificatie ‚Äď Wie je bent ‚Äď “Ik ben Henk de Boer”.
  • Authenticatie ‚Äď Aantonen dat je bent wie je zegt ‚Äď Kan ik aantonen met m‚Äôn rijbewijs.
  • Autorisatie ‚Äď Toegang tot datgene waar je recht op hebt ‚Äď Dus kan ik een auto huren.

IAA

Roel Rexwinkel opent met de vraag “De Digitale Sleutelbos” en hoe houden we deze zo klein mogelijk? Technisch kan dit door de zogenaamde “Federatie” waarmee anderen aansluiten op √©√©n systeem met je accountgegevens. De complexiteit wordt hoger als je rekening moet houden met privacy en extra authenticatie naast wachtwoord, zoals SMS etc.¬†Voorbeelden:

  • DigiD: Tussen overheid/DUO en studielink voor HO/WO. Dit wordt gebruikt in het proces van inschrijven, bekostigen en diplomeren.
  • SurfConext: inloggen op ELO, digitaal lesmateriaal en andere diensten (nu zo’n 140 identiteiten-providers en 450 service-providers).
  • Entree: de Kennisnet-federatie, meer in gebruik bij VO/MBO.

Ondertussen is het IAA veld sterk in beweging:

  • DigiD (werkt vanuit een natuurlijk persoon) versus het ID van de instelling/KVK (eHerkenning) of van de banken (iDIN).
  • Wetgeving zoals GDI, AVG en eIDAS.

H.P. K√∂hler vervolgt met het onderdeel “Leermiddelen”, in dit verband logisch omdat het goed koppelen van identiteiten van studenten randvoorwaardelijk is voor makkelijke toegang tot lesmateriaal. Privacy en beveiliging zijn hier hot natuurlijk, helemaal als je wilt differenti√ęren tussen leerlingen. Daarnaast moet alles ‘het gewoon doen’ op ontelbare netwerken, devices en instellingen. Er zijn 2 belangrijke ketens:

  • Leermiddelen maken, verkopen, distribueren en uitleveren. Grotendeels commerci√ęle wereld dus.
  • Leermiddelen samenstellen, plannen, gebruiken en verwerken. Grotendeels de wereld van het onderwijs zelf dus.

Om nou niet ongebreideld alles uit de onderwijs-wereld warm over te dragen aan de commerci√ęle wereld (mijn woorden) is er een zogenaamde nummervoorziening bedacht. Zodat niet alles van¬†de leerling overgedragen wordt maar een minimale set gegevens. Overigens best complex als meerdere leveranciers (uitgeverijen) samen √©√©n uitlevering verzorgen aan een leerling.

Aanvullend op wetgeving:

  • eIDAS: een europese verordering met als doel meer vertrouwen in elektronische transacties, een gemeenschappelijk kader en toezicht erop. Praktische toepassing is bijvoorbeeld die van het ‘zetten’ van digitale handtekeningen.
  • GDI: de Nederlandse invulling van eIDAS, waarvoor een internetconsultatie loopt. Het wordt in beginsel verplicht voor alle bestuursorganen, waarbij eerst het BSN domein aangehaakt wordt en die waarbij de burger te maken heeft met publieke diensten.

Overigens zijn de initiatieven, afspraken, wetten, regels en systemen voor publieke diensten, private diensten, werken vanuit bedrijven en vanuit de burger weer verschillend. Vandaar dat we met z’n allen veel expertise uitwisselen ūüėČ

Digitale Toegankelijkheid

Soms kun je dingen verbinden die niets met elkaar te maken hebben maar in mijn eigen nieuwsgierigheid toevallig simultaan lopen.
Een collega van Marcom vroeg me of ik de Europese norm [PDF] voor Digitale Toegankelijkheid ken. Was dus niet, maar bleek een goeie tip. In Jip/Janneke taal formuleert deze eisen waaraan informatie of de weergave ervan moet voldoen om toegankelijk te zijn voor mensen met een beperking. Een voorbeeld is dat je bij afbeeldingen beschrijvende tekst plaatst, dat je met een toetsenbord kunt navigeren op een logische manier of dat het contrast helder is. Veel van deze eisen zijn dus ook handig voor de rest van de bevolking. Daarnaast maakt het de indexering door zoekmachines beter wat weer de vindbaarheid ten goede komt.

Deze norm is van verdrag/convenant/norm op weg naar wet. Zo te zien moeten we deze dus standaard gaan opnemen in de eisen bij toekomstige inkooptrajecten. Het Forum voor Standaardisatie plaats de norm bij de categorie “pas toe, of leg uit”.
Daarnaast assisteer ik binnenkort bij een sessie over professionalisering¬†waarin we alle lopende initiatieven verzamelen en er over brainstormen. Veelgebruikte instrumenten daarbij zijn de zogenaamde “MindMaps“.
Aangezien de laatste keer dat ik software voor een Mindmap gebruikte al lang geleden is, heb ik me weer eens geori√ęnteerd. Doorgaans wil ik niet software die online weer een account vraagt maar iets dat ‘lokaal’ op mijn laptop werkt. Na wat zoeken vond ik EDraw. Als je het lint van Office gewend bent, kun je snel aan de slag met het programma en het kent een lage leercurve. De gratis variant brengt geen troep met zich mee of reclame. Je mindmap kan ge√ęxporteerd worden naar afbeeldingen, Word, PowerPoint en PDF etc.

Hieronder volgt dus EN mijn ori√ęntatie op Digitale Toegankelijkheid EN de weerslag ervan in een mindmap.

PDF: MindMap Digitale Toegankelijkheid

JPG: MindMap Digitale Toegankelijkheid

Scriptip: sites en mappen openen voor je maandelijkse archief

Vanaf ongeveer 2007 scan ik mijn post, zodat ik makkelijk bij polissen, facturen en andere belangrijke gegevens kan. Dat gaat in een mappen/bestanden archief, waarbij de bestandsnaam altijd de afzender en datum bevat. Gelukkig krijg ik steeds minder papieren post, dus dat scheelt veel scan werk. Het enige nadeel is dat de pdf-jes overal online staan. Dus in plaats van één brievenbus, staan er bestanden bij mijn zorgverzekeraar, mijn telecom-provider, mijn overheid etc. Het gekke van digitale post is op de één of andere manier toch, dat het niet in je digitale brievenbus (mail) komt.

Ik laat deze bestanden echter daar niet zomaar staan, ik wil een eigen kopie voor in mijn archief. Tot nu toe ging ik, wanneer ik er aan dacht,¬†wat sites af en sloeg aan het downloaden. Dat kan makkelijker, met PowerShell¬†en zit standaard in Windows. Voor degenen die nog DOS in hun digitaal rijbewijs haalden: een soort batchbestanden op stero√Įden. Laat je niet afschrikken door je dos-commando-nachtmerries van toen.

Onderstaande code kun je copy/pasten in PowerShell en bestaat steeds uit 2 delen, zodat bij elke site de respectieve map op mijn PC opent:

  • Open de browser (Chrome) met het adres dat er achter staat.
  • Open de Verkenner (Explorer) met de map die er achter staat.

De eerste keer moet je natuurlijk de sites en mappen aanpassen aan je eigen voorkeur. Enfin, ik zit dus bij Ziggo, Oxxio, T-Mobile en Amazon, maar dat is ter illustratie en je ziet een inkijkje in mijn mappenboom. De lijst kun je zo lang maken als nodig is.

√Č√©n keer in de maand laat ik dit script lopen zodat ik niets vergeet en up-to-date ben. De code is alsvolgt:

start chrome https://www.ziggo.nl/mijn_ziggo/#mijn-gegevens/facturen
start explorer "C:\Users\joeldebruijn\Google Drive\Joel\Documenten\Telecom\Ziggo\2017"
start chrome https://mijn.oxxio.nl/energiemonitor/mijn-verbruik/
start explorer "C:\Users\joeldebruijn\Google Drive\Joel\Documenten\Wonen\Oxxio\2017"
start chrome https://www.t-mobile.nl/my/facturen
start explorer "C:\Users\joeldebruijn\Google Drive\Joel\Documenten\Telecom\T-Mobile\2017"
start chrome https://console.aws.amazon.com/billing/home?#/bill
start explorer "C:\Users\joeldebruijn\Google Drive\Joel\Documenten\Telecom\Amazon"

 

Foto’s in de cloud – Waar staat het origineel?

Cryptische titels werken waarschijnlijk niet goed als klikaas, daarom eerst TL;DR en dan de toelichting:

Google Photos slaat in de gratis variant niet je originele foto- en videobestanden op, maar een gecomprimeerde versie ervan. Wil je daarom je originele bestanden ook behouden, dan zul je extra maatregelen moeten treffen.

Eigenlijk zeggen ze dat zelf heel duidelijk, niet eens pas op pagina 168 van een¬†EULA, maar gewoon in de help: “Saves high-quality photos and videos while reducing size.“. Wat zoveel betekent als “We behouden ons het recht voor om met eigen algoritmes je bestanden te verkleinen, omdat je als gewone consument het verschil waarschijnlijk toch niet ziet …” Anders luisterden we toch allemaal lossless muziek in plaats van MP3? We hebben er toch geen oor, euh oog voor. Het punt is nu dat ik Google Photos al een jaar gebruik en het inderdaad niet eens merkte.

Ik viel zo voor de ‘gratis onbeperkte opslag onder de 16 MP en 1080p video”, dat ik dacht “zolang ik foto’s maak van lagere resolutie kan ik ze gewoon origineel opslaan”. Normaal gesproken heb ik een antenne voor consequenties bij systeemkeuzes, alleen dit was een los eindje. Een innerlijk stemmetje bleef zeuren: als je een foto of video backupt naar Google Photos en je download die weer terug, wat krijg je dan? In ieder geval iets dat erg op het origineel lijkt, zelfde bestandsnaam, zelfde pixels horizontaal en verticaal, zelfde¬†EXIF metadata, GPS co√∂rdinaten en andere kenmerken. Daarom heb ik altijd een hekel aan ‘originelen’ uitwisselen via WhatsApp, die stript foto’s van alle informatie.

Totdat je de bestanden gaat vergelijken. Hieronder de eigenschappen van een foto, zo’n 57% reductie dus:

vergelijking-jpg-origineel-en-google-photos-backup

Hieronder de eigenschappen van een video, zo’n 40% reductie dus:

vergelijking-mp4-origineel-en-google-photos-backup

Nu zijn er dus een paar standpunten, afhankelijk waar je belang aan hecht:

  • Ik vind het belangrijk dat ik zonder omkijken mijn foto’s backup, ik ga er vanuit dat Google alles wel goed opslaat zonder dat de kwaliteit merkbaar achteruit gaat dus ik vind het prima als Google m’n foto’s gratis backupt. Dan ga ik niet mopperen over wat compressie.
  • Ik vind het belangrijk dat ik zonder omkijken mijn foto’s ook naar Google breng, maar ik vertrouw er niet¬†zomaar op dat de kwaliteit gratis goed blijft. Ik kopieer mijn foto’s daarnaast dus nog van mijn camera of smartphone naar een andere plek die ik backup, zoals een externe harde schijf.
  • Ik vind het belangrijk dat ik zonder omkijken mijn foto’s naar Google backup, maar betaal extra voor de originele kwaliteit. Wat ik er nu van begrijp is dat dan foto’s van boven de 16 MP mogelijk zijn EN foto’s van onder de 16 MP ook de oorspronkelijke compressie behouden.
  • Je kunt natuurlijk ook weg bij Google Photos.

Zelf kies ik voor de tweede variant, omdat het doorzoeken van je archief en het delen met anderen zo ontzettend makkelijk is geworden met Google Photos. Maar het blijft dus wel enig werk, meestal verplaats ik 1x per maand mijn foto’s naar een externe schijf. Ik laat mijn bestanden in de cloud nooit de ENIGE originele versie van een bestand zijn. Als mijn account een keer omvalt vanwege een hack of administratieve factuurfout, ben je alles kwijt.

Overigens laat Apple z’n iCloud je bestanden wel in originele staat en laat je kiezen tussen het origineel in de cloud of op je apparaat, zonder verdere compressie. Echter de totale ervaring en prijs is daar weer anders.

Een itembank van vijf hogescholen op #T2D2016

Ik bezoek vandaag en morgen de Tweedaagse over Digitaal Toetsen. Surf organiseert het, waarvoor dank, in Eindhoven Kennispoort.¬†Sander Schenk (HR) praat ons bij over de ervaringen met het aanleggen van een itembank voor 5 hogescholen. Even de schaal: 5.492 studenten maakten 66.502 toetsen en beantwoorden 875.576 vragen …

Randvoorwaardelijk stelt Sander

  • Laagdrempelige toegang: De toegevoegde waarde, aangezien een itembank aanleggen nogal wat tijd kost, zit in hergebruik en analyse. Bijvoorbeeld welke vragen wel en niet goed lopen. Dat moet dan wel toegankelijk zijn.
  • Een enigszins doordachte inrichting: je kunt een jaar discussi√ęren, maar belangrijker is om te beginnen. Hoorde ik net ook al: metadata bijvoorbeeld wordt weinig gebruikt, terwijl je er aan de voorkant uren over kunt praten.
  • Enthousiaste auteurs (hier ook al): Laat voorbeelden zien, dwing niet en laat studenten er om vragen (“Bij docent X krijgen we wel oefenvragen uit de itembank … “).
  • Een goede ondersteuning.

Eigenlijk kom je daarna pas goed aan kwaliteit toe: zijn de vragen inhoudelijk juist, toetstechnisch in orde en hebben ze per stuk feedback? Het zegt denk ik wel iets over de cultuur als docenten in een team elkaar feedback hier op geven en constructief samen de kwaliteit verhogen. De balans tussen streng en soft is soms delicaat: leg je de lat te hoog dan werkt het ontmoedigend en sla je elk initiatief dood met een wijzende vinger, leg je de lat te laag dan krijg je slechte toetsen. Blijft natuurlijk mensenwerk. Vandaar dat Silvester Draaijer de nadruk legt op sociale innovatie (hoe werken onderwijzers samen).

Plug voor de leverancier: de vragen worden gemaakt en afgenomen met Remindo.

Sander zijn presentatie is hier terug te vinden.

Ervaringen met gezamenlijke toetsbanken op #T2D2016

Ik bezoek vandaag en morgen de Tweedaagse over Digitaal Toetsen. Surf organiseert het, waarvoor dank, in Eindhoven Kennispoort. Hans Cuypers (TU/e) toont hoe zijn wiskunde vakgroep een itembank heeft opgezet.

De database bestaat uit ongeveer 1000 geparametriseerde vragen (daardoor kunnen vragen soms miljoenen varianten genereren). De items worden gegenereerd en nagekeken door Computer Algebra Software. De vragen zijn als¬†Scorm-packages in toetsafname- of leersystemen te ‘hangen’.

Waarom wilde men een itembank en digitaal toetsen? Ze zochten naar nieuwe vormen van blended onderwijs en manieren om een goede aansluiting bij de moderne student te vinden, zijn voorkennis te verbeteren en deze gelijk te trekken. Tegelijkertijd kan het de werkdruk verlagen door items te delen en makkelijk toegankelijk te maken.

Is het de investering waard:

  • Ja: als er een duidelijk beeld is, de docenten enthousiast zijn, er ruimte is voor innovatie en als er voldoende technische ondersteuning is.
  • Nee: als er slechts kleine experimenten gepland zijn, als projectleden zelf geen onderwijs geven, als men bang is voor verandering en als de techniek dichtgetimmerd is.

De vakgroep Wiskunde sloot vervolgens aan bij een andere verandering: voor Calculus begon men met een nieuw blended onderwijsmodel. Deze bevatte Introductie (college en video), bestudering (boek en digitaal), samenwerking en discussie (tutorgroepen) en tot slot toetsing. Dit voor 2400 studenten organiseren was nogal een uitdaging, daarom hebben ze de aanleg van een itembank gelijk er in meegenomen.

Lessons learned voor het werken met dit blended onderwijsmodel: Er is korter maar intensiever contact, de ingangstoets is een goede indicatie voor slagingskans en feedback op huiswerk wordt gewaardeerd. Het aantal studenten dat in √©√©n keer het examen haalde nam toe van 39% naar 65%. Wat veel aandacht kostte was om de verschillende docenten ‘uit te lijnen’.¬†Als je de studenten van 10 docenten op √©√©n manier toetst dan vergt dit afstemming op de inhoud van het onderwijs. Lijkt me dat als er hele sterke accentverschillen zijn, dit de standaardisatie van de toets tegenwerkt.

Volgens Hans is samenvattend belangrijk: Heb een duidelijk onderwijsplan, enthousiast team van docenten, een goede overdekking van de stof, vertrouwen in elkaars werk, een goede en flexibele technische infrastructuur en een open houding voor innovatie.

Knap, of typisch voor een wiskundevakgroep, vond ik dat ze ‘engine’ voor dit systeem zelf ontwikkeld hebben, o.a. op basis van Mathematica.

Itembanking, the ultimate battle? op #T2D2016

Ik bezoek vandaag de Tweedaagse over Digitaal Toetsen. Surf organiseert het, waarvoor dank, in Eindhoven Kennispoort. Silvester Draaijer praat over de moeizaamheid waarmee itembanken tot standkomen. Voor meer uitleg wat een itembank kan inhouden, klik hier. Makkelijk gezegd: een bak met gemetadateerde toetsvragen. Silvester stelt:

Itembanken is de grote belofte van digitale toetsing die niet is uitgekomen. De flower-power gedachte dat docenten fijn samenwerken aan toetsen en deze uitwisselen is geen werkelijkheid.

Itembanken zouden ontzettend veel voordelen bieden, maar er spelen allerlei barrières, psychologisch, sociologisch, organisatorisch of financieel. Concreter:

  • Er is een grote afstand tussen de productie van de toetsvragen en de ‘resultaten’ ervan.
  • De ‘opbrengst’ van toetsen met gesloten vragen is niet bijzonder groot.
  • Toetsvragen moeten na afname vrijgegeven worden (HO/WO).
  • Er is vaak wel geld voor de ontwikkeling van itembanken, maar niet voor de exploitatie ervan.
  • De itembank sluit net niet aan bij het specifieke onderwijs van de opleiding die ze nodig heeft (not invented here).
  • Veel oplossingen werden gezocht in de techniek en standaarden (QTI).

Wat werkt wel: wettelijk verplichten om een gedeelde kennisbasis te onderhouden of toetsing bij een externe instantie onderbrengen.

Zijn idee√ęn omtrent itembanken:

  • Het vraagt om sociale innovatie (hoe werken onderwijzers samen).
  • Het bereiken van de bestuurlijke professional (omdat standaardisatie soms botst met de autonomie op de werkvloer).
  • Het vormen van horizontale beroepsverbanden, over instellingen heen.

Zijn presentatie is hier te vinden.

Is jouw instelling klaar voor digitaal toetsen? Maturityscan op #T2D2016

Michiel van Geloven presenteert de beta-versie van de volwassenheidsmeter op het gebied van digitaal toetsen. Over het algemeen vind ik maturity-modellen praktisch omdat ze veel aanknopingspunten bieden om geleidelijk te groeien. Als een onderwerp complex en breed¬†is om aan te pakken, dan werkt het wel eens ontmoedigend, zo’n gevoel dat je overladen wordt. Enfin, nu eentje voor digitaal toetsen dus.

Deze raakt 5 concrete gebieden¬†en door hier systematisch naar te kijken krijg je inzicht in de huidige situatie (0-meting) en je zou kunnen bepalen waar je over 3 jaar wilt staan. ‘Basis-op-orde’ is dan het onderste niveau. Die zou je meestal direct willen bereiken natuurlijk. De 5 gebieden met hun indicatoren (deels eigen interpretatie):

  • Beleid en Visie: Is er zichtbaar leiderschap? Is er een gedragen visie op digitaal toetsen? Is er een (digitaal)toetsbeleid? Is er een heldere business case?
  • Organisatie: Is de tentamenorganisatie op orde? Loopt de logistiek, planning en roostering soepel? Zijn de beheersprocessen van de ICT afdeling voor dit onderwerp effici√ęnt? Is de afstemming van onderwijs en ICT volwassen? Voer je regie over je leveranciers van toetsen en toetssoftware? Hoe goed kun je met ze partneren? Denken ze mee?
  • Deskundigheid: Op managementniveau (motiverend, proactief of alleen risicomijdend reactief), kent de portefeuillehouder voldoende zijn onderdelen? Op docentenniveau (zijn ze toetsdeskundig en bewust van de veiligheidsaspecten en gaan ze daar verantwoordelijk mee om?). Op het niveau van de tentamenorganisatie en ondersteunende diensten etc.
  • Voorzieningen: Is de toetssoftware gekozen, ingekocht, ge√Įmplementeerd? Zijn de faciliteiten voor toetsafname passend? Is de toetsveiligheid geborgd? Voldoet de archivering?
  • Implementatiestrategie: wat zijn de doelstellingen? Wat is de stijl en vorm van aansturing? Welke vorm van projectorganisatie kies je? Hoe goed is het plan van aanpak? Welk budget is er?

Per gebied vul je de maturity-waarde in, de scores worden bepaald door gesprekken met betrokkenen of door metingen, als indicatoren te kwantificeren zijn.¬†Een opper-maturity-scan heeft doorgaans niveaus zoals ‘Greenfield’, ‘Ad-Hoc’, ‘Managed’ en ‘Optimized’. In deze variant werkt het met percentages waarbij 100% de gewenste situatie zou zijn.

We gingen daarna er zelf mee aan de slag. Door het ‘naar eer en geweten’ in te vullen. Volwassenheid meten is overigens geen exacte wetenschap, maar de dialoog er om heen kan heel waardevol zijn. Vooral een collectief beeld krijgen helpt later bij implementaties lijkt me. Ik zie het daarom als een praktisch hulpmiddel om met stakeholders het gesprek aan te gaan.¬†Uit de zaal kwamen nog wat suggesties, o.a. om het dieper uit te werken, het is ook niet voor niets beta. Per indicator zou er een soort ‘bewijslast’ gedefinieerd kunnen worden, waaruit concreet blijkt dat je een bepaald niveau hebt.

De scan is hier terug te vinden.

maturity

De presentatie is hier terug te vinden.

Beleid voor digitaal toetsen op #T2D2016

Ik bezoek vandaag de Tweedaagse over Digitaal Toetsen. Surf organiseert het, waarvoor dank, in Eindhoven Kennispoort. Annette Peet opent dag twee met het onderdeel beleid. Veel instellingen worstelen er mee, als je links ergens aan trekt, komt er rechts een hele kluwen gedoe mee. Software? Grote toetszaal? Summatief of ook formatief? BYOD? Weet je wat het kost? Mag dat wel? Keurt de examencommissie dit wel goed? etc…. Dat vraagt dus om beleid.

Surf startte daarom een denktank om scholen hier handreikingen voor te bieden. Deze is samengevat in een Stappenplan Digitaal Toetsbeleid. De uitgebreidere versie “Beleid Digitaal Toetsen” is hier te vinden.

surf-2016-handreikingbeleid-voor-digitaal-toetsen_4b